Inclusie als uitgangspunt

Inclusie is het uitgangspunt

Iedere cliënt zou in principe bij elke zorgaanbieder terecht moeten kunnen met een zorgvraag Inclusie in de GGZ is daarom het uitgangspunt. We verwachten dat aanbieders passende zorg bieden, die aansluit bij de vraag, kenmerken en belastbaarheid van de persoon. 

Waar samenwerking nodig is, gebeurt dit binnen het regionale netwerk. En wanneer passende zorg en/of ondersteuning elders beter kan worden geleverd, verzorgen aanbieders zelf een warme overdracht. Zo voorkomen we dat mensen buiten de boot vallen -  juist voor de groep met complexe problematiek en hoge lijdensdruk.

Waarom inclusie noodzakelijk is

Mensen met complexe psychische problemen lopen in de praktijk nog te vaak tegen exclusiecriteria aan. Daardoor is hun keuzevrijheid beperkt en loopt de wachttijd op. Terwijl juist voor deze groep aanbod direct beschikbaar zou moeten zijn.

Goed georganiseerde regionale netwerken (zorg, sociaal domein, huisartsenzorg en informele steun) vormen hiervoor het noodzakelijke vangnet: consultatie, kennisdeling, achtervang en warme overdrachten vergroten de mogelijkheid om ook deze groep in zorg te nemen.

Nieuwe landelijke lijn (AZWA)

Vanaf 2026 geldt landelijk dat zorgaanbieders stoppen met exclusiecriteria. Behalve wanneer dit strikt noodzakelijk en zorginhoudelijk onderbouwd is. Alleen voor ‘laag volume, hoog complexe zorgvragen’ kunnen regionale doorverwijzingen naar (landelijke) derde-lijnsvoorzieningen blijven bestaan. Dit versterkt toegankelijkheid, versnelt verwijzingen en voorkomt ‘van aanbieder naar aanbieder’ gestuurd worden. We zijn blij dat in het AZWA deze lijn is opgenomen. 

Zorgverzekeraars nemen, conform de gemaakte AZWA-afspraken, het inperken van exclusiecriteria mee in het inkoopbeleid voor 2027 volgens het principe van redelijkheid en billijkheid. Het uitgangspunt is dat er in elke regio voldoende kwalitatief goed aanbod gecontracteerd wordt. 

Wat verwachten we van zorgaanbieders?

Voor 2027 hanteren we daarom de minimumeis dat een zorgaanbieder géén exclusiecriteria hanteert, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Exclusie vindt in ieder geval niet plaats op de een van de volgende kenmerken:  

  • Crisisgevoeligheid (beleid sinds 2025)
  • (Vermoeden van) autisme (beleid sinds 2026)
  • Intelligentiequotiënt (beleid sinds 2026)
  • Verslaving (behalve ernstige, op de voorgrond staande, problematiek)
  • Eetstoornis (behalve ernstige, op de voorgrond staande, problematiek)

We verwachten dat zorgaanbieders hun expertise waar nodig verhogen door bijscholing, door consultatie vanuit andere aanbieders/sectoren en door meer samenwerking. Aandachtspunt hierbij is ook goede herkenning van de problematiek: er is regelmatig onvoldoende herkenning van persoonskenmerken, waardoor in behandelingen onvoldoende maatwerk plaatsvindt dat past bij het begripsvermogen van de persoon. We verwachten dat aanbieders gericht gebruik maken van passende screeningsinstrumenten om dergelijke persoonskenmerken te herkennen, zoals de SCIL en/of de SCAF in geval van intelligentie.

Contractering 2027: onze verwachtingen

Voor 2027 zetten we in op:

  • inclusie als uitgangspunt bij alle gecontracteerde aanbieders
  • stoppen met exclusiecriteria, behalve bij strikt noodzakelijke uitzonderingen
  • Crisisgevoeligheid
  • (vermoeden van) autisme
  • Intelligentiequotiënt
  • Verslaving (behalve ernstige, op de voorgrond staande, problematiek)
  • Eetstoornis (behalve ernstige, op de voorgrond staande, problematiek)  
  • actieve warme overdracht bij doorverwijzing
  • versterking van regionale netwerken, zodat aanbieders worden ondersteund om ook cliënten met een complexe zorgvraag in zorg te nemen
  • deskundigheidsbevordering via (bij)scholing, intercollegiale consultatie en samenwerking
  • gericht gebruik van screeningsinstrumenten (zoals SCIL/SCAF) voor betere afstemming op het begripsvermogenen het leveren van maatwerk